"Flits" Column

Vriendschap
Si on me presse de dire pourquoi je l’aimais,
je sens que cela ne peut s’exprimer, qu’en répondant :
« Parce que c’était lui ; parce que c’était moi.»

M. de Montaigne, Essais.

De site van vriendschap.pagina.nl staat voor driekwart gevuld met hyperlinks naar de romantische liefde. Is dat niet merkwaardig? Net zo merkwaardig als het genre kaarten dat je voor Valentijnsdag in de rekken bij de boekwinkel ziet, bedrukt met rode harten en zoetelijke weeïge teksten. Wat is dat eigenlijk, vriendschap. Zij is niet hetzelfde als een liefde of een verliefdheid. Een vriendschap kan exclusief zijn, maar in de meeste gevallen is zij niet zo uniek als een romantische liefde. Het is eenvoudiger om er meerdere vriendschappen op na te houden dan meerdere liefdes.
Een vriendschap is een relatie tussen twee mensen. Zij kan zomaar ontstaan, maar zich ook langzaam ontwikkelen. Soms heb je het niet eens in de gaten, en dan besef je plotseling dat je er een vriend bij hebt. Een vriendschap is geen contract, je hoeft niets te ondertekenen, niets op te zeggen als het over is. Het kan zelfs voorkomen dat de ene persoon de band als een vriendschap beschouwt en dat de ander daar anders over denkt. Voor de een kan de band heel belangrijk zijn, ‘jij bent mijn enige vriend’, de ‘enige vriend’ kijkt verstrooid in zijn agenda om te zien of er nog ruimte is voor dit zoveelste contact.

Thomas Bernhard heeft in Wittgensteins Neffe (1982) zijn vriendschap beschreven met Paul Wittgenstein, ja inderdaad, de neef van. Paul was geestelijk niet helemaal in orde en werd daarom van tijd tot tijd gedwongen opgenomen; de schrijver Bernhard lag regelmatig in het sanatorium vanwege een longaandoening. Eenmaal lagen ze zelfs gelijkertijd in dezelfde inrichting, Thomas in paviljoen Hermann, Paul in – o, ironie – paviljoen Ludwig. Ze deelden een belangstelling voor muziek en verder denk ik dat hun vriendschap bestond uit wandelen en met elkaar optrekken -- maar elkaar helemaal begrijpen deden ze niet. Ze hebben elkaar ook nooit de vriendschap ‘bekend’. Bernhard schrijft aan het einde van zijn leven in een terugblik over zijn liefde voor die gekke, onberekenbare, spilzieke, verwende en briljante man. Paul behandelde hem niet altijd even aardig. Daarom is Bernhards verhaal zo ontroerend, zijn liefde was onvoorwaardelijk, hoe vreemd en onbillijk Paul zich ook gedroeg.

Vriendschap bestaat voor een groot deel uit wederkerige gevoelens en sympathieën, maar tegelijk is het ook een heel persoonlijke ervaring. Een vriendschap kan je diep gelukkig maken, je kunt het koesteren als een kostbaar bezit. Een kostbaar bezit dat je ook kunt verliezen. Je moet het goed verzorgen, het net als een plantje regelmatig water geven en er niet bovenop gaan zitten. Niet verstikken. Een zekere mate van raadselachtigheid houdt de vriendschap vers en levendig. Want het is om die eigenheid van die ander, dat anders zijn dan jezelf, waarom die ander zo dierbaar is.

Ein gewisses Maß an unkenntnis vom anderen ist die Voraussetzung dafür,
daß zwei Menschen Freunde bleiben.
(H. Bahr)


Schuld
Iedereen meent te weten wat er met schuld wordt bedoeld. Onmiddellijk schieten ons vanuit de eigen ervaring diverse voorbeelden van schuld of schuldgevoel te binnen. Toch is een eenduidige betekenis niet zo gemakkelijk te geven.
Schuldgevoel berust op het idee dat iemand zelf iets had moeten doen of niet had mogen doen. Of dat idee wel of niet terecht is, maakt niet zoveel uit. Een moeder die denkt dat ze geen goede moeder is, heeft een schuldgevoel dat losstaat van hoe ze het in feite doet. Het is eerder een kwestie van geloven dat men in gebreke is gebleven. Schuldgevoel is een morele emotie. Daaronder ligt een idee van goed en kwaad.

Thomas van Aquino stelt in de Summa Theologiae III dat schuld om straf vraagt, om de morele vrijheid te herkrijgen. Je kunt je vervolgens afvragen wat morele vrijheid precies inhoudt. Als je morele vrijheid bezit, doe je dan wat je moet doen? En is dat dan vrijheid? Wanneer je schuld bekent, doe je niets meer of minder dan je verontschuldigen. Miriam van Reijen meent dat zich verontschuldigen nu juist het ontkennen is van de menselijke vrijheid. (Filosoferen over emoties). Pas als je weigert excuses te maken, maak je duidelijk dat je de verantwoordelijkheid op je neemt voor wat er voorgevallen is. Van Reijen bespreekt een interessante variant van schuldgevoel: het positieve schuldgevoel, de grootheidswaan. Het is aangenaam om je belangrijker te voelen dan je in werkelijkheid bent, om jezelf meer macht toe te kennen dan je in feite hebt. “Als ik die opmerking tegen Jan niet had gemaakt, dan… had hij geen zelfmoord gepleegd”. De mens is geneigd te denken dat hij meer kan en gedaan heeft dan in zijn vermogens ligt. Daarom kan het geen kwaad af en toe een bespiegeling te wijden aan het idee dat de mens maar een mens is, dus nietig.

En let eens op Karl Jaspers, Duits filosoof en psychiater. Hij heeft zich destijds onder meer gebogen over de Duitse schuldvraag. Jaspers heeft vier vormen van schuld onder scheiden: de morele, de criminele, de politieke en de metafysische. Hij was van mening dat de morele schuld een niet-collectieve schuld is en alleen bestaat voor het eigen geweten. De meeste mensen hadden meer moeten doen dan ze in feite hebben gedaan. Interessanter vond Jaspers de metafysische schuld, die wel een collectief tintje heeft: het schuldgevoel van de overlevenden, omdat uiteindelijk iedereen verantwoordelijk is voor onrecht in de wereld. De overlevenden hebben blijkbaar niet genoeg gedaan om te voorkomen dat anderen onrecht werd aangedaan.

Epictetus constateert drie opeenvolgende fasen van ‘opgevoed zijn’:
Op het laagste niveau is men onopgevoed en geeft iets of iemand anders de schuld; op het tweede niveau gloort al enig inzicht en geeft men zichzelf de schuld; in de derde fase zal men noch zichzelf, noch een ander de schuld geven of iets verwijten. De hoofdstelling van Epictetus luidt immers dat het niet de dingen zelf zijn die de mensen in verwarring brengen, maar hun meningen omtrent die dingen.

Laten we daarom, wanneer wij gehinderd, in verwarring gebracht of gekwetst worden, nooit iets of iemand anders de schuld geven dan onszelf, dat wil zeggen onze eigen meningen. Het is het werk van een onopgevoed mens anderen de schuld te geven wanneer hij zelf de oorzaak van het onheil is; zichzelf verwijten te maken is het werk van iemand wiens opvoeding een aanvang heeft genomen, wie noch zichzelf, noch een ander iets verwijt, diens opvoeding is voltooid. Zakboekje (Encheiridion)


WRAAK

Wraak is een bekentenis van smart
Seneca, De ira, 3,5

Oog om oog, tand om tand
Exodus, 21,24

Dit laatste citaat komt regelrecht uit de Bijbel, het boek der boeken. Het gezegde refereert aan het principe van het ‘ius talionis’, het recht van wedervergelding, wat betekent dat het leed dat de wreker aandeed, precies gelijk moet zijn aan dat wat de schuldige heeft aangedaan (dus niet groter). Let op: niet groter. Waarmee als het ware toestemming wordt verleend voor het nemen van wraak. Want zie, het staat in de Bijbel. Niemand zal ontkennen dat wraakgevoelens menselijk zijn. Maar ik sla toch liever de inzichten op van Erich Fromm dan dat ik de bijbel verder raadpleeg.
Fromm poneert dat wraakgevoelens als wraakzuchtige destructiviteit spontaan omhoog komen als reactie op zwaar en onverdiend lijden. Elk mens heeft zoals bekend agressie in zich. En naast agressie ook wraakzucht. Wraakzucht verschilt van normale agressie omdat ze optreedt nàdat de schade is toegebracht. Ze is veel heftiger van karakter. Wraakzucht is vaak wreed van aard, ze is lustgevend en niet te verzadigen, zegt Fromm. Maar, zo stelt hij ook, iedere vorm van straf, of het nu een primitieve of een moderne straf is, is een uiting van wraak. Zo beschouwd kan wraak een nuttige functie hebben, denk bijvoorbeeld aan bloedwraak of aan het strafrecht. Beiden werken preventief, stabiliserend en zorgen voor een gevoel van genoegdoening. Kijk wat gebeurt als die sociale functie wegvalt. Fromm haalt het voorbeeld van de Duitsers aan: veel Duitsers werden gedreven door een verlangen naar vergelding voor de nederlaag van 1914-1918. En kijk naar de Balkan, naar de drama’s die zich daar afspeelden ten tijde van de afgelopen eeuwwisseling en de drama’s die er zich nog niet zolang geleden afspeelden.
Waarom is wraak zo’n diepgewortelde, heftige begeerte? Fromm weet het antwoord niet. Waarom is het verlangen naar vereffening zo intens? Ook die vraag kan hij niet beantwoorden, daartoe is verder onderzoek noodzakelijk. Hij tekent een denkbeeldige schaal waarop hij de intensiteitsverschillen in wraakzucht afzet: aan de ene kant de bijna-heiligen, de mensen bij wie nooit een verlangen naar wraak opkomt, mensen die als volmaakt-ideaal zijnde in het boeddhisme en in het christendom als voorbeeld worden gepresenteerd. Zulke mensen bezitten het vermogen zich op haast bovenmenselijke wijze te beheersen. Uit deze eeuw kan ik twee mensen onmiddellijk als voorbeeld opnoemen, nee drie: Gandhi, de Dalai Lama en Mandela. (nee vier: Majoor Boschhardt - gelukkig, toch een vrouw erbij). Maar of deze mensen geen wraakgevoelens kenden of kennen, dat weet ik niet. Aan de andere kant van de intensiteitsverschilschaal van Fromm vinden we ‘de mensen met een angstig, conserverend of uiterst narcistisch karakter, lieden bij wie de minste schade al een heftige begeerte naar wraak oproept’. Daar weet ik toch ook wel voorbeelden van te noemen? Zo iemand als Hitler? Stalin? Marc Dutroux? Milosevic? Sadam Hoessein? Waren zij wraakzuchtig? Ach, ik weet het niet, betere voorbeelden zijn misschien W.F. Hermans, Theo van Gogh en Fay Weldon.
Heel eerlijk gezegd ben ik er van overtuigd dat wraak tot niets leidt. Met wraak nemen bereik je helemaal niets. Je pijn wordt niet ongedaan gemaakt, zo ook niet je verlies; je krijgt je gelijk toch niet en je verlangen wordt niet bevredigd. Wat wel gebeurt, is dat je gedachten vergiftigd raken -- en je wereld kleurloos en grauw.

Colourless green ideas sleep furiously
N.Chomsky, Syntactic structures, 1957



Epictetus en ons geluk

“Van al het bestaande hebben wij sommige dingen in onze macht. Andere niet. In onze macht hebben wij onze meningen, ons streven, onze begeerte en afkeer. Het lichaam hebben wij niet in onze macht. Ook bezit niet of aanzien en ambten. Kortom, alles wat niet ons eigen werk is.” Epictetus, "Encheiridion 1"

Wij kunnen nu gelukkig zijn, als wij dat willen. Maar het hoeft niet. Sommigen onder ons vinden geluk saai en burgerlijk. Anderen schamen zich misschien om toe te geven dat ze gelukkig zijn. En wat te denken van kunstenaars? Kunstenaars kunnen toch niet gelukkig zijn? Pas via een miserabel leven komen de mooiste kunstwerken tot stand. Bovendien wekt geluk wrevel en jaloezie op. Wanneer onze medemens een rampspoed overkomt, kunnen we nog oprecht huiveren en tegelijk ons verheugen omdat wij de pechvogel niet zijn. Bij andermans geluk reageren we anders, dan vragen we ons af waarom juist zij de bofkonten zijn en wij niet.

En toch zijn we allemaal naarstig op zoek naar het geluk. Die éne, die liefste... Pas als de hoofdprijs is gewonnen, als de luxe bolide voor de deur geparkeerd staat, dan pas zijn we écht gelukkig. Is het heus? Epictetus (55 – 135 na Chr.) schrijft in zijn "Kolleges, Boek II:
“Het begin van wijsgerig denken is, tenminste bij degenen die ‘t aanvatten zoals het behoort, en dus door de deur naar binnengaan, het besef van eigen zwakheid en onvermogen ten opzichte van hetgeen nodig is... Zie hier ‘t begin van wijsgerig denken: ‘t besef van de tegenstrijdigheid der menselijke meningen, ‘t zoeken naar de weg waarlangs die strijd ontstaat, ‘t veroordelen en ‘t wantrouwen van ‘t eenvoudig ‘menen’, een onderzoek of dat ‘menen’ een juiste mening is...”

Als we de gedachtegang van Epictetus loslaten op het begrip ‘geluk’, dan lijkt de definitie ervan relatief te zijn. Mijn geluk is het jouwe niet, jouw geluk is het mijne niet. Onze individuele voorstelling bepaalt of zaken droevig of aangenaam, prettig of onplezierig zijn. En dit geldt niet alleen voor zaken maar ook voor personen en hun gedrag, want, zo zegt hij:
“Houd steeds in gedachten dat niet zij die schelden of slaan ergernis wekken, maar dat het juist het oordeel omtrent hen is dat de ergernis wekt. Indien iemand u dus ergert, weet dan dat uw eigen oordeel u ergert". (...)“Want een ander zal u niet kwetsen indien ge het niet wilt. Alleen dan zult ge gekwetst zijn, indien ge meent gekwetst te worden.” ( Encheiridion 30)

Epictetus noemt armoede, ziekte en werkeloosheid als voorbeelden. Wat je ook overkomt, houdt hij de lezer voor, je kunt er iets goeds van maken. Het feitelijke, zintuiglijke en lichamelijke is iets anders dan onze houding er tegenover. Men kan overal zelf een gunstige betekenis aan geven. Het is zinniger de zaken positief te bekijken. Wat hij zegt, komt er op neer dat we beter onze eigen opvattingen over een bepaalde zaak of persoon onder de loep kunnen nemen, in plaats van de schuld af te schuiven op het onderwerp van onze irritatie. Verantwoordelijk zijn we alleen voor wat we zelf denken, niet voor de ‘gevolgen’ waar andere mensen en omstandigheden bij betrokken zijn. Net als bij het Boeddhisme ziet Epictetus de oorzaak van ons lijden in het willen, in de begeerte, van hetgeen dat buiten onze macht ligt.
“Waarom komt gij tot leed, waarom zijt gij ongelukkig? Waarom gebeurt iets niet dat gij wilt en geschiedt iets wel dat gij niet wilt? Dat is ‘t beste bewijs van rampspoed en rampzaligheid. Ik wil iets en het gebeurt niet; ik wil iets niet en het geschiedt toch. Is er dan iemand ongelukkiger dan ik?” ( Kolleges, Boek II)
Wil niets dan wat er al is en gebeurt… Epictetus’ teksten kunnen ons nog steeds inspireren.


Oprechtheid
Wie kent niet de categorische imperatief van Kant? “Handel zo dat gij kunt willen dat de maxime van uw handeling een (natuur)wet is”. Of anders geformuleerd: behandel anderen zoals je zou willen dat de handeling voor iedereen naar de letter van de wet geldt”. Kant heeft zelf een voorbeeld gegeven om te verduidelijken hoe ver hij hierin wil gaan. Stel, zo zegt hij, dat een van mijn vrienden achtervolgd wordt door een onredelijk manspersoon. Deze bruut wil mijn vriend zelfs vermoorden. Hij belt aan bij Kant en vraagt deze of hij op de hoogte is van de plek waar zijn vriend zich heeft verborgen. Indien Kant de schuilplaats kent, dan zal hij niet liegen en de moordzuchtige jager vertellen wat hij weet. “Want”, zo meent de hooggeachte filosoof, “de menselijkheid hangt af van de waarachtigheid van het woord. Een leugen kan voortkomen uit lichtzinnigheid, ja zelfs uit goedheid, en iemand kan zelfs als hij liegt daarmee iets goeds beogen; maar eenvoudig doordat ze de vorm van een leugen aanneemt, is die manier om dat doel na te streven een misdaad van de mens jegens zichzelf en een onwaardigheid die hem verachtelijk maakt in zijn eigen ogen”. Wie meer lezen over Kant’s ideeën over oprechtheid, mag zijn “Tugendlehre”, § 9 en volgende er op naslaan.

Een ander voorbeeld om aan te geven hoe ingewikkeld het kan zijn om altijd de waarheid te willen vertellen, is de vraag of je iemand die op sterven ligt de waarheid moet vertellen? “Ja”, zegt Kant, “tenminste, als de stervende erom vraagt, want waarheidsliefde is een absolute plicht”. “Nee, nooit”, zegt een zekere Jankélévitch, “want daarmee zouden we hem zonder dat de noodzaak daartoe bestaat, de ‘foltering van de wanhoop’ aandoen”. De Duitse dichter Rilke is het met Kant eens: “Liegen tegen een stervende houdt in dat we hem zijn dood afpakken”.

Wiens opvatting is het meest sympathiek? Enerzijds is het zinvol je af te vragen wat de mens ermee op schiet om de wrede realiteit te vernemen op het moment dat hij weerlozer is dan ooit. Anderzijds is het voorstelbaar dat iemand ook aan het einde van de weg als gelijke behandeld wil worden. Denk aan Socrates, zou hij het op prijs hebben gesteld als hij in zijn laatste moment voor de gek was gehouden?


Opoffering
Uit ervaring, zo vertelt Montaigne in hoofdstuk 29 “Over de deugd” van zijn Essays, weet hij dat er een groot verschil bestaat tussen plotselinge invallen en een vaste, duurzame gewoonte. Ieder van ons maakt wel eens mee dat hij het gevoel heeft hoog boven de alledaagse werkelijkheid uit te stijgen, maar alleen bij vlagen. Ter illustratie verhaalt Montaigne over een vrouw in Bergerac, een dorp enkele mijlen van zijn huis. Deze vrouw had besloten om met opoffering van haar leven te ontsnappen aan de hardvochtigheid van haar man. Want haar echtgenoot had een moeilijk karakter, hij sloeg en treiterde haar. Zij trok haar zuster mee aan de hand om een wandeling te gaan maken. Aangekomen bij de brug over de rivier, nam zij afscheid van haar zus alsof het een grap was en zonder enige emotie te tonen, sprong ze over de leuning de diepte in. De vrouw offerde zichzelf op om aan het onverdraaglijk gedrag van haar man te ontkomen. Het opmerkelijkste van deze gebeurtenis vindt Montaigne dat zij haar besluit in de loop van de nacht genomen had. Afgestompt en blasé als wij zijn, kijken we niet echt op van zo’n verhaal, maar bedenk wel dat Montaigne dit schreef in de zestiende eeuw.

Je kunt jezelf ook opofferen ten behoeve van jezelf, al klinkt dat was cryptisch. Stel je voor, je hebt een doel in je leven. Alles wat je doet, maak je ondergeschikt aan dat doel. De weg die je af moet leggen is niet altijd even leuk. Bij tijden vliegen de te verrichten inspanningen je naar de strot. Je loopt te zuchten en te steunen. Je offert jezelf op. Het gevoel van welbevinden geef je prijs omdat je vermoedt dat je op de langere termijn gelukkig zult worden.

Vervolgens is er nog de opoffering van jezelf om een ander te plezieren, ten koste van eigen lust of voordeel. Dit is het soort van opoffering waaraan haast iedereen in eerste instantie denkt. Je probeert het iedereen naar de zin te maken. In de ochtend sta je steevast op met een stralend humeur. Je belast niemand met je zorgen. Voordat je huisgenoten hun wensen kenbaar hebben gemaakt, zijn ze door jou al vervuld. Altijd kan iedereen een beroep op je doen. Je bent pas gelukkig als de anderen gelukkig zijn. Gelukkig? Meestal ziet de werkelijkheid er anders uit. Het is zelfs de vraag of je met opoffering liefde en geluk verwerven kunt. Aanhankelijkheid koop je er zelden mee.
Opoffering, is dat niet passé?


Naakt

Wat hebben Cyrano de Bergerac, Marquis de Sade, Choderlos de Laclos en Casanova gemeen met Catherine Millet? Misschien wel dat ze hun sporen hebben verdiend met het opschrijven van zelf beleefde, opvallende en ongebruikelijke seksuele avonturen. Van Catherine Millet kwam in 2001 "Het seksuele leven van Catherine M.”, een boek dat veel stof heeft doen opwaaien. Met haar ervaringen is Millet een regelrechte afstammeling van de libertijnen van weleer. Ze schrijft zonder schuld- of schaamtegevoelens over haar beleving van seksualiteit, ongeacht of dat nu solo, met een of meerdere partners of in een groep is. Haar drijfveer lijkt een onbevooroordeelde nieuwsgierigheid te zijn. Afstandelijk schrijft ze over houdingen en standjes, gefascineerd door beweging en beperking, gezien vanuit diverse invalshoeken. Haar naaktheid is kunst. Ze ziet haar seksuele activiteiten als een performance, een spektakel om naar te kijken. Ze schrijft over de functionele kenmerken van een naakt lichaam (haar naakte lichaam). Ze waarschuwt voor bepaalde houdingen die onappetijtelijk over kunnen komen op de partner of toeschouwer. Zelfs het verouderingsproces en verlies van het libido noteert ze op een afstandelijke manier. Ze constateert feiten over haar lijf, registreert ze genadeloos, en blijft emotioneel buiten schot. Millet schrijft over haar naakte lichaam maar geeft haar innerlijk niet bloot.

Hoe anders is dat in de laatste werken van de schrijvers J.M. Coetzee en Philip Roth: in “Langzame man” (2005) constateert de mannelijke hoofdpersoon met een schok dat hij na zijn beenamputatie anders wordt beoordeeld door de buitenwereld; de vanzelfsprekendheid waarmee hij voorheen zijn macht als viriele man kon laten gelden, is weggevaagd. Voortaan is hij afhankelijk van het mededogen van prostituees. Zijn naakte lichaam wekt geen lust meer op maar afkeer. Hij wreekt zich door zich af te sluiten. Hij laat niemand meer toe. Nooit meer.
In “Alleman” van Roth gaat het niet om een verminkt lichaam. Hier is sprake van een vitale, levenslustige man met een lijf dat versleten raakt en gaat haperen. Deze ikfiguur treurt om het verlies van zijn lichaamsfuncties die hem nooit eerder in de steek hadden gelaten in het vervullen van zijn lusten en behoeftes. Tenslotte berust hij met tegenzin in de nieuwe situatie en gaat vervolgens dood.
De aftakeling van het naakte lichaam wordt door deze twee mannen als een vernedering ervaren. Beiden geven hun innerlijk bloot en reageren met spijt, woede, verbittering en onmacht. Catherine Millet, de gefictionaliseerde schrijfster, heeft geen tijd voor negatieve gevoelens. Ze ziet zichzelf als weinig romantisch ingesteld en past zich op pragmatische wijze aan. Hoe haar partners reageren op haar ouder wordende lichaam vertelt ze de lezer echter niet. Naakt? Hoe naakt kun je zijn?


Toekomst

Nostradamus wist wel wat de toekomst voor de mens in petto zou hebben: kommer en kwel. Geen opwekkende gedachte. Een plezieriger toekomstbeeld zien we bij zijn opponent Thomas More. In “Utopia” droomt Moore van het paradijs op aarde. Of laten we kijken naar de opvattingen van Frederik van Eeden, die het niet bij fantasieën liet, maar de gemeenschap Walden stichtte, waarin hij zijn idealen trachtte te verwezenlijken. Weer later verwende George Orwell zijn lezers met een onheilspellend scenario dat hij in “1984” ontvouwt.
De toekomst boeit ons. Wat zullen we gaan beleven? Geen mens die het weet. Het is opmerkelijk dat de toekomst meer angst oproept dan verwachtingsvolle verheugenis. Toch wordt het elk jaar weer lente, omlijst met krokusjes en dartele lammetjes en opdringerige paardenbloemen in het groene gras. We zullen dierbaren ontmoeten, we kunnen genieten van museumbezoek, luisteren naar muziek, er zijn nog vele boeken die erom vragen gelezen te worden…
Het angstige gevoel omtrent de toekomst stelt het geluksbevinden van de mens op de proef. O, wisten we maar zeker dat het ene wel gebeurt en het andere niet; wisten we maar zeker hoe lang deze prettige tijd nog duurt… Angst voor het onbekende lijkt de overhand te hebben, voor de dreiging van pijn die we zullen lijden, voor verdriet dat we kunnen krijgen, voor gemis dat ons kan overkomen.
Hoe krijgen we deze angstige onzekerheid onder controle? De aantrekkelijkste houding is misschien die van optimistische kalmte. Tot nu toe bleek de mens inventief genoeg om opdoemende problemen het hoofd te bieden. De mens verzuipt niet zo gauw. De mens is onuitroeibaar, let maar op.